De koning en de ziel

Het hoefgetrappel was al van ver te horen. De ingedutte bewakers schoten in het gelid; de koning komt eraan! Ze stonden nog maar net overeind toen de koets met de Koning de hoek om kwam gestoven. Ze wisten niet wat ze zagen. De Koning zat ineengezakt op de koets die enkel nog maar reed op één wiel. De ruiten waren aan diggelen. De kroon van de Koning stond scheef op zijn hoofd, zijn mantel was aan flarden. “Geneesheer!” riepen ze tegelijkertijd. De Geneesheer kwam in een witte jas en met een dokterskoffer en twee verzorgers aangerend. De Koning werd van de koets gehaald en op de grond gelegd. Hij zag grauw en had een zwakke hartslag. De Geneeheer onderzocht hem. De koning was zwaargewond. Na verloop van tijd en de nodige verzorging kwam de Koning bij. “De ziel” mompelde hij. De verzorgers sprongen overeind en renden naar de koets. Daar troffen ze de ziel met een dolk in zijn hart. Zorgvuldig werd de ziel uit de koets gehaald. De dolk werd uit zijn hart verwijderd en de wond gestelpt. Zowel de Koning als de ziel hadden ternauwernood een zwaar gevecht overleefd. Ze werden beiden naar de rustkamer gebracht waar ze beiden verder konden herstellen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *