De schatkamer van de koning

Het was op een vroege ochtend dat de koning in alle rust zat te genieten van de eerste zonnestralen op zijn gezicht bij de fontein op het binnenplein van het kasteel. Enkele kamermeisjes liepen met hagelwitte lakens op weg naar de gastenkamers. Terwijl één van de kamermeisjes de trap opliep viel het de koning op dat de trap er verweerd uit zag. Binnenkort moet er weer onderhoud gepleegd worden dacht de koning. Waar er eerst innerlijke kalmte heerste, woelde er nu door deze gedachte een gevoel van onrust door zijn lijf. Zouden er wel voldoende middelen zijn? Kan ik het wel betalen? Uit angst voor tekort, was de koning altijd erg zuinig en gaf hij nooit veel geld uit. Hij potte al zijn geld op in een kamer waar niemand verder van wist.

De koning stond op en liep naar de overkant van het plein. Daar stond hij stil bij een groen paneel. De gladde oppervlakte werd enkel onderbroken door een klein rond gaatje. De koning keek om zich heen. Op het moment dat er niemand te zien was, pakte hij uit de zak van zijn mantel een oude sleutel en stak die in het slot. De groene deur opende vloeiend en gaf toegang tot een keldertrap. De koning was er al een tijdje niet geweest. Dat kon je zien aan het dikke spinrag wat hij eerst opzij moest schuiven. Even snel als de koning de deur opende, sloot hij de deur achter zich met een extra slot aan de binnenkant en daalde de trap af naar beneden. In de verte hoorde hij al het geluid van gedrup van munten. Op de tast vond de Koning zijn weg, om uiteindelijk links af te slaan en uit te komen bij zijn schatkamer.

De Koning was verrukt bij het zien van al die gouden munten en juwelen die zich in de loop der tijd hadden opgestapeld en voor het oog van de buitenwereld verborgen waren. Vanuit een gat in het plafond kwamen met regelmaat munten naar beneden vallen, waardoor er een berg ontstaan was. Er is genoeg constateerde de Koning en ik mag het vertrouwen hebben dat er ook altijd genoeg zal zijn. Met die conclusie begon hij zijn zakken te vullen om het onderhoud van zijn kasteel te kunnen bekostigen. Echter, toen gebeurde er iets geks…Hoe meer hij zijn zakken vulde, hoe meer geld er binnenkwam door het gat in het plafond. Als hij niets nam, kwam er ook niets. Als hij een beetje nam, dwarrelde er ook een beetje naar beneden. En zo kreeg de koning les in het krijgen van vertrouwen én in het feit dat ook geld energie is en wel-vaart bij geven en nemen.

Mijn ontmoeting met de gouddelver

Het was druk in de piramide. Zo druk dat de kleine prins de koopman uit het oog verloor. Na verwoede pogingen de koopman terug te vinden, staakte hij zijn zoektocht en besloot hij op adem te komen. Hij liep de piramide uit om in de stilte van de woestijn zijn verdere plan uit te denken.
Met het zicht op de gouden bergen herinnerde hij zich de stem van de Wijsgeer: “Let op voor de gouden bergen, want daar schuilt gevaar”. Wat voor gevaar? dacht de kleine prins. Zijn nieuwsgierigheid won het van de angst, waardoor hij op pad ging. Op weg naar de gouden bergen.

Het duurde niet lang voordat de prins aan de voet van het bergmassief aankwam. Er was geen bewegwijzering en het was er leeg. Op één ding na: overal, maar dan ook overal lagen gouden munten. Overal gouden munten die er voor het oprapen lagen, maar niemand die er was. De prins besloot wat verder te lopen. Aan de hoeveelheid gouden munten kwam geen einde. Hij besloot op een heuveltje te gaan zitten om het in zich op te nemen. Er waren geen vogels, geen groen, alleen maar gouden bergen van gouden munten. “Wat een saaie boel”, sprak de prins hardop uit. Hij besloot op te staan om weer rechtsomkeerd te gaan.
“Waar ga je naar toe? hoorde hij ineens achter zich. De prins draaide zich om en zag een piepklein mannetje zo groot als een pink. Hij leek op een kabouter, maar dan iel. “Ik ga weer terug naar waar ik vandaan kom”, zei de prins. “Er valt hier niet zoveel te beleven”. “Ho, wacht eens zei de kleine man”, wil je mijn huis dan niet zien?”. Dat wilde de prins wel en zo zat hij even later in het knusse huisje van de gouddelver.

De koning en de ziel

Het hoefgetrappel was al van ver te horen. De ingedutte bewakers schoten in het gelid; de koning komt eraan! Ze stonden nog maar net overeind toen de koets met de Koning de hoek om kwam gestoven. Ze wisten niet wat ze zagen. De Koning zat ineengezakt op de koets die enkel nog maar reed op één wiel. De ruiten waren aan diggelen. De kroon van de Koning stond scheef op zijn hoofd, zijn mantel was aan flarden. “Geneesheer!” riepen ze tegelijkertijd. De Geneesheer kwam in een witte jas en met een dokterskoffer en twee verzorgers aangerend. De Koning werd van de koets gehaald en op de grond gelegd. Hij zag grauw en had een zwakke hartslag. De Geneeheer onderzocht hem. De koning was zwaargewond. Na verloop van tijd en de nodige verzorging kwam de Koning bij. “De ziel” mompelde hij. De verzorgers sprongen overeind en renden naar de koets. Daar troffen ze de ziel met een dolk in zijn hart. Zorgvuldig werd de ziel uit de koets gehaald. De dolk werd uit zijn hart verwijderd en de wond gestelpt. Zowel de Koning als de ziel hadden ternauwernood een zwaar gevecht overleefd. Ze werden beiden naar de rustkamer gebracht waar ze beiden verder konden herstellen.

Het afscheid van de Wijsgeer

“Ik kan je niets meer leren”, zei de Wijsgeer toen ik zoals gewoonlijk tegenover hem zat in een comfortabele stoel bij de open haard. “Mijn tijd zit erop”. Geschrokken kijk ik hem aan. “Dat meent u niet!” zeg ik tegen hem. “Wie gaat mij dan begeleiden?” Van wie kan  ik dan gaan leren?” “Wees niet bang”, zei de Wijsgeer. “Er zullen altijd mensen zijn van wie je kan leren. Je bent nooit alleen, maar kijk uit voor  de Gouden Bergen, want daar schuilt gevaar”. “Gevaar? Wat voor gevaar? “Dat heb ik van horen zeggen”, zei de Wijsgeer en daar liet hij het bij.
“Ben je er klaar voor? “De Wijsgeer stond op en liep naar de boekenkast. “Deze kast heeft een geheime deur”, zei hij. “Weet dat wanneer je hier doorheen gaat er geen weg terug is”. “Je moet er dus heel zeker van zijn, klaar te zijn voor de reis”. Hij opende een stukje van de deur. Een fel wit licht kwam er doorheen. Verder was er niets te zien. “Ik weet het niet” stamel ik, wetende dat deze stap enorme moed zou vergen. “Ik kan er nu niet over beslissen”. “Ik laat je er een nachtje over slapen en dan hoor ik het wel, zei de Wijsgeer. “Ik zie je morgen weer”.

De volgende ochtend ben ik al vroeg wakker. Ik heb amper kunnen slapen. Vandaag voelt aan als de dag van de waarheid waarop ik afscheid moet gaan nemen van mijn Wijsgeer. Mijn trouwe metgezel die zoveel jaren van dienst is geweest. Degene bij  wie ik altijd terecht kon met vragen en voor mijn levenslessen als  ik weer iets nieuws wilde leren. Iemand die nooit een oordeel had en mij zelf de dingen liet ontdekken door het geven van mijn eigen antwoorden. Mijn sparringpartner.
Wanneer ik zijn kamer inloop staat hij al bij de geheime deur in de boekenkast en nog één keer vraagt hij aan mij: “Ben je er klaar voor, want er is geen weg terug”. Dikke tranen rollen over mijn wangen. Ik wil niet, maar ik moet. Want hij heeft gelijk: zijn tijd zit erop, maar de mijne ook. Ik omhels hem en bedank hem voor zijn lessen. “Het gaat je goed” zegt hij en daarmee opent hij de draaideur en zet ik mijn eerste stap in een onbekende wereld.

 

Hoe de Koningin de stappen kon zetten die nodig waren om in het licht te gaan staan.

“Ok”, zie de sporter. “Ik zal het nog één keer proberen, maar beloof me dat je de stappen gaat zetten die nodig zijn om hier vandaan te komen”. De Koningin knikte, maar haar gevoel zei anders. Ze bevroor van angst. De sporter stroopte zijn mouwen op, ging door zijn knieën, nam een diepe teug adem en tilde zo een rotsblok van meer dan 100.000kilo op. “GA!” schreeuwde hij, maar de Koningin kon niet. Vastgenageld stond ze daar. Onder het rotsblok. Ze kon geen stap verzetten. “GA!” schreeuwde de sporter nogmaals. “Ik houd dit niet lang vol”. “Ik kan het niet!”, riep ze naar de sporter. “Ik kan dit niet alleen!”. De sporter keek om en zag haar gezicht. Niets, maar dan ook niets in haar kon ervoor zorgen dat ze ook maar een vin verroerde. “Wie of wat heb je nodig?” vroeg hij haar. “Iemand die met mij meegaat” zei de Koningin. “Iemand die mij begeleidt”. Iemand op wie ik kan terugvallen, als ik het zelf even niet meer weet”. En op die uitspraak verscheen de Koning. Hij keek haar liefdevol aan, pakte zonder iets te zeggen haar bij de arm en zette zo samen met haar de stappen die nodig waren om uiteindelijk samen in het licht te gaan staan.